Biografie Anton van Duinkerken (1903-1968)

Anton van Duinkerken, pseudoniem van Wilhelmus Johannes Maria Antonius Asselbergs, was een Nederlandse dichter, letterkundige, essayist, redenaar, hoogleraar en literatuurhistoricus. In de eerste helft van de twintigste eeuw was hij een prominent figuur binnen de beweging van jonge katholieke literatoren. Als journalist en criticus bij verschillende periodieken zoals De Tijd, De Gemeenschap en De Gids had Van Duinkerken een voorname en invloedrijke rol in de literaire wereld. In de loop van de jaren dertig zou zijn verzet tegen het nationaalsocialisme en de NSB in het bijzonder hem verdere bekendheid opleveren. Na de Tweede Wereldoorlog richtte hij zich meer op een academische loopbaan, die zou resulteren in zijn hoogleraarschap aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Gecombineerd met zijn lidmaatschap van tal van commissies en redacties maakte dit hem tot een veelzijdig en prominent figuur in de literaire en culturele geschiedenis van Nederland ten tijde van de Verzuiling, de Tweede Wereldoorlog en de periode van wederopbouw en ontzuiling.

Een seminarist met literaire ambities – Brabant, 1903-1929

Op 2 januari 1903 werd in de Sint-Josephstraat in Bergen op Zoom Willem Asselbergs geboren als oudste zoon van de bierbrouwer Antonius Johannes Aloijsius Asselbergs (1877-1940) en Cornelia Maria Gerberdina van Loon (1879-1939). In zijn eerste levensjaren groeide Willem op in de binnenstad van Bergen op Zoom, waar hij in de Engelsestraat naar de lagere school ging. Al in 1912 vertrok hij op negenjarige leeftijd naar de Franstalige kostschool Huize Ruwenberg in Sint-Michielsgestel, waar hij werd voorbereid op een studie aan het seminarie. Een jaar later ontstond tijdens een schoolbezoek aan de Sint-Janskathedraal in Den Bosch zijn wens om priester te worden. Deze priesterroeping leidde ertoe dat hij na Ruwenberg onderwijs zou gaan volgen aan het klein- en grootseminarie van het bisdom Breda. 

Parallel aan zijn opleiding tot priester, legde hij een interesse voor literatuur en poëzie aan de dag; op school kroop hij naar eigen zeggen liever met een boek weg in de heesters dan dat hij mee wilde doen aan een voetbalwedstrijd. In 1923 werden onder het pseudoniem Anton van Duinkerken zijn eerste gedichten gepubliceerd in Roeping, een katholiek literair tijdschrift waarin een podium werd gevormd voor jonge katholieke schrijvers. Via Roeping vond Van Duinkerken aansluiting bij een groep andere jonge katholieke literatoren. Zo ontmoette hij ondermeer Jan Engelman en Anton Coolen, met wie hij duurzame contacten zou onderhouden. Deze groep jonge katholieken streefde naar een culturele emancipatie van het roomse Brabant en Vlaanderen, met het katholieke geloof als grondslag. Daarmee wilden zij een sterk en jong alternatief vormen voor de overheersende protestantse cultuur uit de noordelijke delen van Nederland. Dit streven moet worden beschouwd in een breder debat waarin een jonge generatie, afkomstig uit de verschillende zuilen, zich na de Eerste Wereldoorlog afzette tegen het negentiende-eeuwse individualisme en de versplintering van de Europese cultuur. Dat er een nieuwe, moderne maatschappij moest worden gevormd stond vast voor al deze jonge intellectuelen, maar de beginselen en vorm ervan leidden tot polemieken tussen verschillende kampen. Als lid van het katholieke kamp streed Van Duinkerken voor een hernieuwde waardering van het katholicisme om zo tot een herstelling van het gemeenschapsgevoel van de Europese maatschappij terug te keren. Hoewel hij in deze beginjaren nog op afstand contact met de groep jongkatholieken onderhield via brieven, zou zijn rol binnen deze beweging in toekomstige jaren alsmaar groeien.

Asselbergs gebruikte voor zijn poëzie van meet af aan zijn pseudoniem Anton van Duinkerken, een naam die hij baseerde op de (naar later bleek foutieve) aanname dat zijn familie van oorsprong uit Duinkerken kwam. De reden voor het gebruik van een schuilnaam lag in het feit dat het voor een seminarist als ongepast werd beschouwd om met poëzie in de openbaarheid te treden. Toch werden na een jaar zijn literaire activiteiten ontdekt door de kerkelijke autoriteiten. Dit leidde in eerste instantie niet tot een publicatie- of schrijfverbod. Toen het er in februari 1925 alsnog van kwam, resulteerde dit in een diepe persoonlijke crisis. Van Duinkerken vond namelijk zelf dat zijn dichterlijke ambities en zijn aanstaande priesterschap goed gecombineerd konden worden en elkaar in symbiose aanvulden, maar de katholieke kerk beschouwde deze als onverenigbaar. Uiteindelijk koos Van Duinkerken in 1926 voor de letterkunde en verliet het seminarie. Deze keuze uitte zich onder andere in zijn functie als redacteur van Roeping (dit bleef hij tot 1928) en zijn studie Nederlands, waar hij in 1927 in Tilburg aan begon.

De diepe indrukken die hij in 1928 tijdens het carnaval in Bergen op Zoom opdeed resulteerden in zijn Verdediging van Carnaval. Direct begonnen met schrijven na zijn eerste bal op zaterdagavond en doorwerkend tussen andere bals, had hij het op aswoensdag afgerond. Het werk valt op een scharnierpunt in Van Duinkerkens leven: hij verzette zich met deze verdediging van het volksfeest nu openlijk tegen de kerkelijke autoriteiten, waarmee hij zijn seminarieverleden van zich afwierp en zich op zijn literaire leven richtte. Na de Tweede Wereldoorlog zou de Verdediging als belangrijk manifest gelden voor het organiseren van het naoorlogse vastenavendfeest in Bergen op Zoom.

In 1929 trad Van Duinkerken op uitnodiging van Jan Engelman toe tot de redactie van De Gemeenschap, maandschrift voor Katholieke Reconstructie. Dit tijdschrift bleek meer dan Roeping een voortrekkersrol op zich te kunnen nemen in de beweging van de jonge katholieke schrijvers en dichters. In 1930 trouwde Van Duinkerken met de Bergse Leonie Arnolds (Nini) en vertrok samen met haar naar Amsterdam, waar hij literatuurcriticus werd bij het dagblad De Tijd.

Op de literaire en politieke bres – Amsterdam, 1929-1952

Na zich eenmaal te hebben afgewend van een toekomst in de gelederen van de kerkelijke instituten, stortte Van Duinkerken zich vol op zijn schrijfwerk voor De Tijd. Zijn hoge productiviteit, snelle schrijven en improvisatie met uitgebreide parate kennis zijn kenmerken waar hij nog altijd om geroemd wordt. Zijn deelname aan een grote verscheidenheid aan commissies, zijn essays en polemieken en zijn rol binnen de beweging van de jongkatholieken zouden de jaren dertig tot zijn meest belangrijke periode maken. Eenmaal in Amsterdam bouwde hij aan een omvangrijk netwerk en werd zijn huis in de Lomanstraat een cultureel centrum voor letterkundigen, journalisten en kunstenaars. In 1934 werd hij bovendien benoemd tot eerste katholieke redacteur van het algemeen culturele en literaire tijdschrift De Gids.

Naast zijn werkzaamheden voor De Tijd en De Gids, werd hij bij De Gemeenschap een steeds belangrijkere factor in de beweging van de jongkatholieken. Van Duinkerken beoogde een moderne maatschappij, die gefundeerd zou zijn op de oude katholieke gemeenschapsidealen zoals die in de Middeleeuwen hadden gegolden. Zijn Hedendaagse ketterijen uit 1929 was de start van een polemiek met Menno ter Braak (1902-1940). Beiden keerden zich tegen burgerlijkheid en zagen de democratie en partijpolitiek als oorzaak van een versplinterde maatschappij. Hun visie op de invulling van een moderne maatschappij stond echter haaks op elkaar. Van Duinkerken pleitte met zijn katholicisme voor een herleving van de gemeenschap, collectivisme en vaste waarden, waardoor Ter Braak hem ‘de keisteenvereerder’ noemde. Ter Braak daarentegen was individualistisch en verwierp collectivisme en vaste waarheden. Gedurende deze pennenstrijd, die de gehele jaren dertig zou voortduren, toonde Van Duinkerken zich als een subliem verdediger van zijn katholieke waarden.

Ondertussen publiceerde Van Duinkerken ook veel cultuurhistorische werken. Voor zijn bloemlezing Dichters van de Contra-Reformatie uit 1932 kende de universiteit van Leuven hem in 1937 een eredoctoraat toe. Van Duinkerken was op dat moment nog maar 34, maar het was het begin van een wetenschappelijke loopbaan. In 1940 volgde zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar in de Vondelstudies in Leiden. Deze benoeming deed nogal wat stof opwaaien; menig kenner was er niet van overtuigd dat Van Duinkerken de meest geschikte specialist voor de leerstoel was – ondanks zijn verschillende Vondelpublicaties en -studies.

In de loop van de jaren dertig voelden veel van de jongkatholieke schrijvers en kunstenaars zich aangetrokken tot het nationaalsocialisme. Ook van de redactie van De Gemeenschap zouden enkelen zich hierbij aansluiten. Van Duinkerken verzette zich hier echter openlijk tegen. Bekend werd zijn gedicht Ballade van den katholiek uit 1935, waarin hij zich uitsprak tegen Anton Mussert en diens NSB. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) betuigde hij openlijk zijn steun aan de Republikeinen en bood schrijvers die zich tegen Franco keerden onderdak bij De Gemeenschap. Ook vluchtelingen van het nationaalsocialisme in Duitsland heeft hij geholpen. Hij nam hun publicaties op in De Gemeenschap en besprak ze in De Tijd. Dit leidde tot verschillende vriendschappen, bijvoorbeeld met Joseph Roth, die als Joodse schrijver in de jaren dertig in Amsterdam verbleef. Verdere stappen in zijn verzet zette Van Duinkerken door in 1935 lid te worden van Eenheid door Democratie, een beweging die werd opgericht na de grote winst van de NSB tijdens de Provinciale Statenverkiezingen en zich zowel tegen het nationaalsocialisme als het communisme richtte. Een jaar later sloot hij zich aan bij het Comité van Waakzaamheid. Dit comité (waarvan ‘boezemvijand’ Ter Braak bestuurslid was) bestond uit kunstenaars, wetenschappers en intellectuelen met verschillende levensbeschouwingen en wilde het gevaar van het nationaalsocialisme voor cultuur, onderzoek en maatschappij kenbaar maken. Van Duinkerkens lidmaatschap was echter van korte duur; er waren namelijk ook communisten lid van het comité. De katholieke clerus was van mening dat een voorname katholiek zich daar niet mee hoorde te associëren en wenste dat Van Duinkerken het comité verliet.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Van Duinkerken geïnterneerd in een kamp in Sint-Michielsgestel, waar met name politici, kunstenaars en intellectuelen gegijzeld werden. In 1942 verbleef hij er een kleine driekwart jaar. Gedurende deze periode schreef hij verschillende gedichten, waarvan De wuivende, geschreven na een bezoek van zijn vrouw, het meest bekend werd. Tijdens zijn internering ontstond ook zijn bezieling voor de doorbraakgedachte. Belangrijk hiervoor was ondermeer zijn ontmoeting met Wim Schermerhorn (1894-1977), de eerste naoorlogse minister-president. Met de doorbraakgedachte hoopten politici en intellectuelen na de oorlog de Verzuiling in Nederland te doorbreken. In mei 1945 sloot Van Duinkerken zich daarom aan bij de Nederlandsche Volks Beweging; een groepering die na de oorlog de traditionele partijpolitiek wilde verbreken. In 1946 volgde in dezelfde geest zijn lidmaatschap van de Partij van de Arbeid.

Al in 1944 werd Van Duinkerken, bekend als bourgondische Brabander en schrijver van De verdediging van carnaval, betrokken bij de organisatie van het Amsterdamse feestcomité voor de bevrijdingsfeesten. Zijn ideeën voor een volksfeest klinken daardoor nog altijd door in de huidige bevrijdingsfestivals op 5 mei. De viering in 1945 vond echter pas in juni plaats, omdat ‘de stad eerst bevoorraad diende te worden met bier’. Voor Van Duinkerken zelf werden deze bevrijdingsdagen overschaduwd door een ongeval in een jeep op 26 juni, waardoor hij blijvend letsel zou overhouden aan zijn schrijfarm.

De gelauwerde literator en academicus – Nijmegen, 1952-1968

Al in 1948 had Van Duinkerkens wetenschappelijke loopbaan een vervolg gekregen met zijn benoeming tot hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Een volgende stap zette hij in 1952 toen het gezin Asselbergs verhuisde van Amsterdam naar de Regentessestraat in Nijmegen, waar Van Duinkerken benoemd was tot hoogleraar algemene en Nederlandse letterkunde aan de Katholieke Universiteit. Zijn lidmaatschap van de PvdA moest hij daarvoor onder druk opgeven, maar werd door zijn vrouw overgenomen.

Zijn wetenschappelijke werk verscheen niet onder zijn pseudoniem, maar onder zijn naam prof.dr. W.J.M.A. Asselbergs. Hiermee vormde hij een scheiding tussen zijn journalistieke en literaire werken enerzijds en de vruchten van zijn academische loopbaan anderzijds. Van Duinkerken richtte zich na de oorlog in hoofdzaak nog op de laatste categorie; van polemieken zoals hij die met Ter Braak had gevoerd was zo goed als geen sprake meer en voortaan was niet langer de actualiteit, maar de (letterkundige) geschiedenis hetgeen waar hij zich op toelegde. Als hoogleraar stond hij bekend als een indrukwekkende en goed voorbereide orator met een schijnbaar oeverloze kennis. Zijn uitweidingen over details waren dan ook talrijk, maar konden daarmee ook tot saaie en droge colleges leiden. Met zowel collega-hoogleraren als studenten ging hij na college graag naar het café, waar hij zijn colleges onverwijld voortzette, maar dan in een meer luchtige omgeving en met een glas bier binnen handbereik. Het academische jaar 1964-1965 gold door zijn benoeming tot rector magnificus als een bekroning van zijn academische loopbaan.

In 1962 bundelde hij zijn meest voorname werken in Verzamelde Geschriften, gevolgd door zijn goed ontvangen autobiografische werk Brabantse herinneringen in 1964. Erkenning voor zijn werk viel hem in deze jaren ook in ruime mate ten deel. Zo ontving hij in 1960 al de Constantijn Huygensprijs en werd hem in 1966 de P.C. Hooftprijs uitgereikt voor zijn hele oeuvre. 

Hoewel hij zijn geboortegrond al jaren geleden achter zich had gelaten, verzwakte zijn band met Brabant niet. Zo nu en dan keerde hij terug naar Bergen op Zoom om, benoemd tot krabbengeneraal, deel te nemen aan de Vastenavend. In Hilvarenbeek werd hij in de jaren vijftig en zestig eveneens met open armen verwelkomd tijdens de Groot-Kempische Cultuurdagen, waar hij jaar na jaar een grote rol speelde. Ook Vlaanderen, waar hij al van kinds af aan met grote regelmaat kwam, bleef hem telkens weer trekken. Hoewel Van Duinkerken in zijn leven veel en ver had gereisd, was in 1968 Vlaanderen de bestemming van zijn laatste reis.

De jaren zestig werden voor Van Duinkerken ook gekenmerkt door persoonlijke tegenslagen. Zijn vrouw Nini werd meerdere keren opgenomen vanwege psychische problemen. Zijn zoon Gustave, die als kunstenaar in New York leefde, overleed in 1967 aan een hersentumor. In hetzelfde jaar verslechterde ook Van Duinkerkens eigen gezondheid. Herhaalde ziekenhuisbezoeken konden een uiteindelijk ziekbed niet afwenden. Op 27 juli 1968 overleed Anton van Duinkerken in Nijmegen, waar hij begraven is op Jonkerbos.

Verder lezen over het leven van Anton van Duinkerken? Wij raden de volgende werken aan:

  • Polman, Mariëlle (red.), Anton van Duinkerken. Een veelomvattend mens (Tilburg 2003).
  • Plas, Michel van der, Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek. Biografie van Anton van Duinkerken (1903-1968) (Amsterdam 2000).
  • Duinkerken, Anton van, Brabantse herinneringen (Utrecht/Antwerpen 1964).
  • Roes, André, Een schaduw die verschuift. Leven en werk van de jonge Anton van Duinkerken (Baarn 1984).

Of klik hier voor zijn profiel in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren.